Bedenken ze op Breda International Airport (U mag ook Seppe zeggen) een oplossing voor een probleem dat niet bestaat? Je zou het zeggen als je Jan Voeten hoort vertellen. Met een team van onderzoekers verdiept men zich in de mogelijkheden om vanaf hun kleine luchthaven (binnenlandse) vluchten aan te bieden voor de korte afstand.
Kleine luchthavens vragen zich al langer af hoe ze de komende decennia zullen overleven. De sportvlieger vergrijst, een vliegtuig huren of bezitten is ondragelijk duur en de leerlingen vertrekken zodra de papieren binnen zijn naar de grote luchtvaart.
Breda International Airport bestaat al dik 75 jaar en weet dat ze meer dan ooit voor haar bestaansrecht moet knokken. Tegelijkertijd ziet men dat er een nieuwe ontwikkeling is die de rol van luchthavens juist kunnen versterken, en die een probleem dat we nog nauwelijks voorzien kunnen helpen oplossen. Die nieuwe ontwikkeling is het hybride-elektrische en volledig elektrische vliegtuig. Het probleem komt er hoe dan ook aan, de oplossing dus ook.
Kleiner denken?
Onder de visionaire leiding van Jan Voeten, de directeur van BIA, wordt nagedacht over wat de kleine luchthavens kunnen betekenen als ze nu eens niet groter maar kleiner denken. Over een fijnmazige luchtvaart-infrastructuur bijvoorbeeld. Jan en zijn mensen noemen dat regionale mobiliteit.
Waarom is dat nodig, die regionale mobiliteit? De wegen lopen vol en we kunnen niet het hele land asfalteren. Meer spoor? Hoe lang hebben we het al over de Lelylijn? Hoe houden we ons land – en haar naaste omgeving – in beweging? Dat is een probleem dat boven ons hoofd hangt. Voor een oplossing hoeven we alleen maar omhoog te kijken.
Luchtvaart heeft een slechte naam – behalve als we haar nodig hebben – en ook de grootste liefhebbers zullen toegeven dat het lawaai en de uitstoot onaangenaam zijn. Dus wat is er nodig als de luchtvaart in de nabije toekomst een oplossing zou kunnen bieden voor ons vastlopende land? De durf om vooruit te kijken, ver vooruit te kijken en radicale innovatie te omarmen.
De gebroeders Wright pleegden radicale innovatie. Ze deden iets dat niemand ooit gedaan had. Dullaert ontwierp een luchthaven die brak met alle regels. De Deltawerken vroegen om een radicale visie. Radicaal denken kan het onmogelijke mogelijk maken. Je moet alleen wel durven.
Als we erkennen dat de noodzaak zich zal voordoen, moeten we nu gaan nadenken over de oplossing. Er zijn veel mogelijkheden en er zijn er al een paar geprobeerd. Weet u nog wel, de Eclipse 500? Die zou voor een Uber-achtige infrastructuur zorgen maar ‘de markt’ bleek niet te bestaan, althans niet in de omvang die Roel Pieper droomde.
Als er toen gedacht werd dat de ‘light jet’ de toekomst zou zijn, mengt zich nu de vliegmachine van de toekomst – elektrisch, hybride – in de discussie. Die belooft het wegnemen van beperkingen en het openen van ongekende mogelijkheden.
Waar willen we heen en hoe komen we daar?
In Nederland en haar nabije omgeving zijn vliegvelden die niet worden ingezet als infrastructuur. Ze dienen voornamelijk lokale doelen zoals vliegsport en -lessen. Stel dat je van Roosendaal naar Drachten moet. Dan ben je over de weg op zijn best twee-en-een-half uur onderweg. Over het spoor? Trek er een uur of vier voor uit. Gevleugeld neemt het slechts 70 minuten in beslag, centrum naar centrum.
Zo zijn er heel veel ‘city-pairs’ te bedenken; Goes-Maastricht, Den Helder-Enschede.. Op basis van de beschikbare vliegvelden zijn de mogelijkheden voor binnenlandse vluchten in Nederland groot.
Radicale innovatie kan dat aantal nog eens verveelvoudigen. Creëer op militaire vliegvelden civiele faciliteiten en zet ruim bemeten zweefvliegvelden in. Durf daarbij te bedenken wat nieuwe machines voor mogelijkheden bieden – heb je wel een vliegveld nodig? – en er ontstaat een fijnmazig netwerk van razendsnelle verbindingen.
Hoe verplaatsen we ons in dat netwerk? Daarvoor zijn nieuwe machines nodig. Lange tijd werd er meesmuilend gekeken naar de eVTOL’s. Dat zou nooit wat worden. Deze radicale innovatie nadert de volwassenheid en we weten we nu dat de volgende generaties zullen rondvliegen in elektrische en hybride-elektrische vliegmachines.
Nieuwe vliegmachines voor binnenlandse vluchten?
Overal op de wereld wordt gewerkt aan vliegmachines. We zien conventionele vliegtuigen en verticaal startende en landende machines. Opvallend detail: de traditionele vliegtuigbouwers spelen geen rol van betekenis. De onderzoekers op Seppe kozen twee machines uit het overweldigende aanbod: de Vaeridion, een Duits ontwerp en de Alia van Beta uit de VS.
De Vaeridion, een vleugelvliegtuig, zal naar verwachting volgend jaar vliegen en in 2030 gecertificeerd zijn. Volledig elektrisch, batterijen in de vleugel, negen passagiers en twee vliegers en in eerste instantie met dik driehonderd kilometer per uur en een bereik van vierhonderd kilometer.

De Alia vliegt al als CTOL en moet dus een aanloop nemen. Er is al op veel plekken me gedemonstreerd en de certificatie is aanstaande. De VTOL, vertikaal startend en landend, is in verregaande staat van ontwikkeling. Beide machines passen in het radicaal innovatieve, fijnmazige netwerk. Ze bieden plaats aan vijf passagiers, hebben tot driehonderdvijftig kilometer bereik met bijna driehonderd kilometer per uur. Eén vlieger. De VTOL Start en landt vertikaal en dus kan gebruik maken van heliports of van een voetbalveld of stevig dak.
We spelen hier voluit op het orgel van de toekomstmuziek. Veel is afhankelijk van de ontwikkelingen in de elektrische en hybride aangedreven luchtvaartuigen. Die ontwikkelingen gaan snel, zijn veelzijdig en positief en uit de massa zal gegarandeerd een winnaar opstaan.
Er is nog iets veel belangrijkers nodig: een economisch model dat deze vorm van vervoer bereikbaar maakt voor velen. Dat vraagt misschien wel de meeste innovatie. Is het te duur, te ingewikkeld, te elitair dan zal het een vroege dood sterven. Het moet een vorm van openbaar vervoer worden: voor zeer veel mensen bereikbaar.
Er liggen dus drie taken: ontsluit zo veel mogelijk bestaande luchtvaart-infrastructuur, omarm de elektrische vliegtuigen en bedenk een economisch model. Dat vraagt dus radicaal innovatief denken.
Op kortere termijn: Pilatus?
Het team van Breda International Airport onderzoekt ook de wat kortere termijn. Vliegtuigen als de PC-12 en PC-24 en de Visionjet kunnen nu al worden ingezet voor regionale ontsluiting. Dan worden ook plaatsen op wat langere afstand bereikbaar die nu niet worden bediend door de “grote” luchtvaart. Denk daarbij vooral niet alleen aan passagiers; pakjes moeten ook steeds sneller hun besteller vinden. Ooit vlogen de Fokkers – van de F2 tot de F27 – over ons hele land, tot de auto de mobiliteit tot de voordeur bracht. Nu keert het verhaal zich om.

De toekomst van regionale mobiliteit gaat via de lucht. De ontwikkelingen gaan razendsnel. Binnen drie, vier jaar vliegen er gecertificeerde hybride-elektrische en volledig elektrische luchtvaartuigen rond. Kleine machines die uitermate geschikt zijn voor de korte afstand en dus voor een nu nog onbekende vliegende infrastructuur. Wat zouden we er anders mee moeten doen? Waarom zouden bedrijven anders die honderden miljoenen in deze ontwikkeling investeren?
Jan Voeten en zijn team op Breda International Airport zijn de mogelijkheden serieus aan het onderzoeken. Hun inzet is een oproep om “om te denken”. Om de mogelijkheden die zich in de komende jaren aandienen zo snel mogelijk naar onze hand te zetten. Om niet in beperkingen te denken maar in ongekende mogelijkheden. Om te erkennen dat de voor onze economie zo belangrijke mobiliteit onder druk.
Dus denken ze niet op de korte termijn, maar veel verder vooruit. Zo ver als Lely, Dullaert en de Wrights. Van die hopen ze op Breda International Airport de vruchten te plukken en niet alleen de toekomst van de luchthaven te verzekeren maar ook een krachtige impuls geven aan de regionale mobiliteit en economie.


