Voor menig verzamelaar van vliegtuigschaalmodellen zal Marcel van der Willik geen onbekende zijn. Ruim 31 jaar werkt hij inmiddels bij de AviationMegastore, ook nog altijd bekend als de Luchtvaart Hobbyshop. In dit eerste deel van een tweeluik het verhaal van een jongen met passie voor de luchtvaart die van hobby naar beroep groeide en zijn kansen wist te grijpen als bedrijven omvielen.
Zijn ouderlijk huis bevond zich in Sassenheim. ‘In die tijd kwamen daar niet alleen vliegtuigen overheen die gebruik maakten van de Kaagbaan: vliegveld Valkenburg was toen ook nog volop in gebruik’, vertelt Marcel. ‘Het liefst wilde ik elk vliegtuig zien. Als klein mannetje liep ik daarvoor naar het raam – ook als ik op school was. En op Madurodam rende ik altijd meteen naar Schiphol, de rest vond ik totaal niet interessant.’
Erg onder de indruk was hij van de huiskamerinrichting bij een oom. ‘Behalve dat er aan de muur werk van Thijs Postma hing, stonden er ook twee heel grote metalen displaymodellen van een KLM-Lockheed Electra en een Martinair-DC-8.’ Hij nam een abonnement op een luchtvaartblad waar hij keer op keer de middenplaat uit scheurde om zijn slaapkamer te kunnen voorzien van werk van Postma. Ook ging hij aan de gang met bouwpakketten. Daarbij bleef het niet.

Vliegtuigmodellen scoren
‘Ik schreef luchtvaartmaatschappijen en vliegtuigfabrikanten aan om spulletjes te vergaren’, vertelt Marcel. ‘Jaarlijks bracht het tijdschrift Flight International een world airline directory uit waarin alle adressen en namen van verantwoordelijke personen waren te vinden. In eerste instantie schreef ik gewoon dat luchtvaart mijn hobby was, later blies ik het een beetje op en pende ik neer dat ik een vitrinekast bezat, de zogenaamde Aircraft Model Gallery. Werknemers zaten toen veel langer op een bepaalde plek. Ze gingen mij leren kennen, het balletje ging rollen. Als er een nieuw toestel kwam of een ander kleurenschema, hadden ze modellen staan waar ze niets meer mee konden. Dat resulteerde er zelfs in dat er ineens een PTT-busje bij mij voor de deur stopte. Vergezeld van de tekst: “Leuk Marcel dat je nog steeds verzamelt”, werd er zomaar een displaymodel van bijvoorbeeld een Boeing 747 afgeleverd.’

Verschillende soorten vliegtuigmodellen
‘Een displaymodel is niet gemaakt voor de retailmarkt’, legt Marcel desgevraagd uit. ‘Displays zijn gemaakt voor marketingdoeleinden. Vandaar dat ze zijn te vinden bij reisbureaus en bij luchtvaartmaatschappij kantoren. Vliegtuigfabrikanten geven ze nog altijd cadeau aan luchtvaartmaatschappijen als er zaken kunnen worden gedaan. Het zijn ook de modellen die je op tafels ziet staan bij fusiebesprekingen. Het zijn de modellen die het meest interessant zijn voor verzamelaars. Fred Rau en Paul Mans, twee enorme luchtvaartenthousiasten die ooit de World of Wings op Schiphol Plaza runden, gingen destijds van start met een souvenirshop in de kelder van deze luchthaven. Toen zij daar enkele displaymodellen in de etalage zetten, waren die al heel snel verkocht. Het bleek een ware hit.’
‘Vanaf 1994 werden de diecastmodellen geproduceerd zoals nu onder meer te vinden bij de AviationMegastore en Flash’, vervolgt Marcel. ‘Dat begon met modellen op een schaal van 1:500 en 1:400. Tegenwoordig is 1:200 een enorme hit. De modellen worden ook steeds beter, de kleinste details zitten erop. De verzamelaars hiervan worden steeds kritischer. Er zijn er die zes modellen naast elkaar zetten om ze vervolgens met een vergrootglas te bekijken. Spaarders van displaymodellen doen dat niet: voor hen hoeft het er niet perfect uit te zien: dat het een model is dat op een tafel heeft gestaan tijdens een ondertekening waarbij van veraf een foto werd gemaakt – dat is de kick.’
Met een brede lach stelt hij: ‘Niets op de wereld is perfect, geen model is perfect. Wil je dat wel, koop dan eerst een echt vliegtuig, was het te heet, dan is het gekrompen en perfect.’ Hij trekt zijn schouders op. ‘Waarvoor je ook gaat, het blijven allemaal modelverzamelaars, allemaal luchtvaartfanaten. Daarnaast zijn er nog de modelbouwers, die vinden het bouwen weer leuker dan het sparen.’

‘Op een van de modelbouwdoosjes stond een adres, ergens in Nieuw-Vennep – niet ver fietsen voor mij’, zegt Marcel, terugkerend naar eerdere tijden. ‘Ik ben gaan bellen met dat modelbedrijf, IMC, of ik langs mocht komen. Prima. Wat ik daar aantrof! Een ware snoepwinkel vol prachtige modellen, vooral van Fokker maar ook wel het een en ander van Airbus en een paar luchtvaartmaatschappijen. Likkebaarden was het ook bij de etalage van een reisbureau in Sassenheim: daar stond een heel mooie KLM-DC-9. Steeds als ik daar naartoe ging om hem te scoren kreeg ik aldoor te horen: “Nee, die hebben we gekregen van KLM bij onze opening, die doen we echt niet weg.”
Ik bleef stug volhouden. Vergeefs. Totdat ik een keer aan de eigenaar vroeg: “Vindt u het leuk als ik uw etalage een keer inricht met modelvliegtuigen?” Gelijk zei hij: “Ja.” Maar ik had er geen idee van of IMC daarover net zo enthousiast zou zijn. Gelukkig bleek dat het geval. Vervolgens kon ik ook een etalage in Oegstgeest inrichten. En kreeg ik die DC-9 uiteindelijk toch los.’ Met plezier voegt Marcel eraan toe: ‘In Amsterdam zat een hele serie luchtvaartmaatschappij kantoren in de Leidsestraat, daar ging ik ook graag “bietsen”: een kwestie van de aanhouder wint.’
Van patissier naar IMC
Zijn passie voor vliegtuigen bracht Marcel niet meteen bij de AviationMegastore, waar hij inmiddels 31 jaar werkt. ‘Mijn hele familie komt uit de techniek’, zegt hij. ‘En dus ging ik naar een technische school. Vooral constructieve techniek vind ik leuk: het grafische, de vormgeving, het uiterlijke – dat kwam altijd weer naar boven. Ik had naar de grafische school moeten gaan. Geloof het of niet, ik belandde in de patisserie. Bruidstaarten, suikerwerk en ja, ook een vliegtuig gemaakt van marsepein. Ik kon me er helemaal uitleven in vormgeving en deed mee aan vakwedstrijden. Ik was met mijn laatste examen bezig toen ik aangenomen werd bij IMC, waarmee ik door de jaren heen goede contacten had opgebouwd. De leraar die bij mijn examen aanwezig was zei tegen mijn examinator: “Hij gaat bij een vliegtuigmodelletjesfabriek werken”, waarop die laatste reageerde: “Hij mag bij mij komen werken.” Dat werd een dilemma. Uiteindelijk zat mijn hobby dieper dan mijn vak. Ik werd voor gek verklaard.’


Niet dat Marcel zomaar binnenkwam bij IMC. ‘Ik was verkocht nadat ik in de fabriek had mogen kijken. Om er als werknemer binnen te komen moest je uiteraard een luchtvaartpassie hebben, vliegtuigen kunnen herkennen, twee rechterhandjes hebben iets kunnen met bouwpakketten en een oog voor detail. Met gemak kon ik daar allemaal ja op zeggen, maar iets van mijn kunsten laten zien was lastig want ik had vrijwel al dat spul weggedaan. Dus gauw een modelkit gekocht en aan de slag gegaan voor een mooi exemplaar. Toen kwam ik in het bestand. Maar daarmee was ik nog niet aangenomen. Steeds als ik langskwam bij IMC vroeg ik of er al iets bekend was. Het bedrijf had te maken met een overname, voor de tweede keer al. De nieuwe secretaresse regelde een gesprek met de nieuwe eigenaar – Pieter Schoen, zoon van de eigenaar van de verffabriek Sigma Coatings. Ik had mijn aanstelling te pakken terwijl ik bezig was met mijn allerlaatste examen van mijn opleiding patissier. Pa zei: “Maak het af” en dat heb ik gedaan.’
De dagen bij zijn nieuwe werkgever waren allesbehalve een succes. Marcel: ‘Omdat de scholen vakantie hadden, waren er op dat moment ook vakantiewerkers werkzaam. Ik werd daarbij geplaatst op de grote zolder waar ze die plastic modelletjes maakten die je aan boord kunt kopen. Als de rompjes, vleugels en stabilo’s uit de spuitgietmachine kwamen, zaten er nog injectiestukjes aan. Die moesten losgeknipt en glad gemaakt. Het was een heel leuk sfeertje met die scholieren, maar na twee dagen dacht ik: Mars, waar ben je aan begonnen, lummel. Ik heb het veertien dagen weten vol te houden – dodelijk. Ik luchtte thuis mijn hart, waarop mijn vader zei: “Mooi hè, dat je toch je diploma’s compleet hebt gemaakt.” “Ja”, reageerde ik, “maar ik geef het toch niet op.” Ik ben naar de productiemedewerker gestapt en heb gezegd dat ik dit werk echt niet langer ging doen en voor de decoratieafdeling was aangenomen.’

Met twee dagen was het bekeken; voor Marcel begonnen – wat hij noemt – de mooie klussen. ‘De meeste modellen werden in die tijd gegoten uit resin, een soort kunsthars. Daarna gingen ze naar de bankwerkerij om glad gemaakt te worden. Daarvoor kregen ze in een spuitcabine een coating. Waterproofen, de volgende stap in het proces, werd aan mij toebedeeld. Een model moest echt zo glad als een aal worden. Omdat ik al oog had voor perfectie had ik dit werk snel onder de knie. Daarna mocht ik gaan spuiten, eerst met grijze basislak. Dat ziet er niet uit, maar als je er vervolgens wit overheen spuit wordt wit witter dan wit. Kan bijna niet, maar dat is toch echt zo. Als het model droog is, plak je het zo af dat je er een volgende kleur op kunt spuiten. Tot slot ging je aan de slag met decal-stickers. Dat is precisiewerk; dat moet recht zitten. Iedere kleur heeft een afzonderlijke drukgang. Soms heeft een model wel tien drukgangen. Priegelen vind ik mooi, maar je werkt bij een bedrijf, dus het moet allemaal wel binnen een bepaalde tijd gebeuren.’

‘Met de modelgieters en decorateurs uit de zestiger jaren had ik heel goede leermeesters’, prijst Marcel zichzelf gelukkig. ‘Matthijs Verkuyl was een van hen, een man die in verzamelaarskringen wereldwijd als een legende geldt. Hij maakte alle masters, de moedermodellen. Er was nog geen internet. Ook bestonden er nog geen AutoCAD-programma’s waarmee alle gegevens van een vliegtuigbouwer konden worden ingelezen om een model exact te kunnen maken. Verkuyl moest het doen met voor-, boven- en zijzichttekeningen. Daar was moeilijk aan te komen als je geen opdracht had van de vliegtuigfabriek zelf.’
‘Verkuyl maakte de masters meestal van een houtblok. Aan de hand daarvan werd er een mal gemaakt, waarin de displaymodellen vervolgens werden gegoten. En als je nu zo’n model pakt, kan je daar gewoon een AutoCAD-programma op loslaten, zo perfect waren ze. Hij zei altijd: “Als het smoeltje van een vliegtuigmodel niet goed is, dan klopt het niet.” Tref je nu zo’n model op een beurs, dan ben je algauw meer dan vijfhonderd euro kwijt.’

Fokker 100-model speelde belangrijke rol in grootste Fokker-order ooit
‘Samen met mijn naamgenoot en toenmalige collega Marcel Duijn heb ik mogen meewerken aan een bijzonder project op de decoratieafdeling van IMC’ zegt Marcel glunderend. ‘Het ging om de afwerking van een polyester schaalmodel van een Fokker 100 in de kleuren van American Airlines, schaal 1:10. Mijn werkzaamheden bestonden uit de laatste voorbereidingen voor de definitieve afwerking van het model, waarna ik de glanzende blanke laklaag aanbracht. Nadat deze beschermende laklaag volledig was gedroogd, werden de spinners in de motoren gelijmd en de landingsgestellen onder het model gemonteerd. Kort daarna speelde dit model een prominente rol tijdens de contractondertekening in New York voor de grootste order in de geschiedenis van Fokker: een bestelling van 75 Fokker 100’s, met opties op nog eens 75 extra exemplaren.’

Toen Fokker begon te wankelen
Dat er bij Fokker roerige tijden aanbraken had direct zijn weerslag op IMC. Marcel: ‘Frans Swarttouw, op dat moment de grote baas bij Fokker, kondigde aan wat niemand dacht dat ooit zou kunnen: twee machines tegelijk ontwikkelen, de Fokker 50 en 100/70. Voor het oog mogen ze sterk lijken op hun voorgangers, de Fokker F27 en F28, maar die stammen uit de jaren vijftig en zestig. In de decennia daarna veranderde er veel. Het bleef niet goed gaan bij Fokker, onze grootste opdrachtgever. IMC moest bezuinigen.’
‘Ik was als een van de laatsten binnengekomen en moest eruit. Maar binnen IMC zat ook ITC Inflight Trade Centre met Pieter Tjaardstra aan het roer. Hij was de voormalig Inflight Sales Manager bij Martinair. Hij hoorde dat ik eruit moest en vroeg of ik bij hem wilde werken. ITC was meer gericht op het ontwikkelen van speelgoed en allerlei andere producten die aan boord werden verkocht, waaronder de aeroclocks in de vorm van een vliegtuig en Aerokit, een soort lego waarmee je elk toestel van elke gewenste airline kon bouwen.’


Marcel was niet meteen enthousiast, maar omdat hij geen keuze had vroeg hij Pieter wat er precies van hem werd verwacht. ‘Als er voor een airline een inflight magazine wordt gemaakt, moeten er foto’s in van de producten die aan boord worden verkocht. Maar soms is dat product er nog niet. Daarom zocht Pieter iemand die samples kon maken, blanco artikelen die ik met de hand moest decoreren voor de foto, waardoor het leek alsof ze al op de markt waren. En dat niet alleen op blanco vliegtuigmodelletjes, ook op opblaasdolfijnen en aeroclocks. Het idee dat dit mij wel zou lukken, klopte. Het werd een succes en vond het ontzettend leuk om te doen. Sindsdien kon ik ook voor de ad-hoc-klussen van Fokker worden ingezet. Als er bij een bespreking met een mogelijke klant een model in de kleuren van die airline op tafel moest komen. Zo werd meteen duidelijk hoe hun toekomstige vliegtuig eruit kwam te zien bij een order.’



Specifieke modellen
‘Pieter was altijd in voor nieuwe impulsen’, zegt Marcel. ‘Voor een stand op de taxfree-beurs in Cannes opperde ik Schiphol na te maken van Aerokitt-steentjes met daarop vliegtuigjes. Dat vond hij meteen leuk. Dat werden heel veel avonduurtjes. Dankzij deze klus was ik toch weer veel bij IMC te vinden; voor het project had ik de spuitcabine en dezelfde materialen nodig. In die tijd leerde ik ook hoe ik decals moest maken. Dat deed ik op een handzeefdrukmachientje. Van het een kwam het ander. Fred Rau van souvenirshop Drugstore Schiphol wilde weten of ik specifieke modellen kon maken waar vraag naar was. Ik kaartte dat bij IMC aan en kreeg toestemming om er op vrijdagmiddag in mijn eigen tijd aan te werken. Fred en ik sloten een ruildeal. Hij betrok veel displaymodellen bij Skyland in Engeland. Elke keer als ik een eenmalig model afleverde ruilde ik dat bijvoorbeeld tegen een A310 van Pan Am. Op een gegeven moment had ik thuis een hele collectie van die Skyland-modellen.’


Trots showt Marcel een Fokker 130-prototype van 160 centimeter lang. ‘Ik heb hier bij IMC aan gewerkt. Er zijn slechts twee exemplaren van gemaakt. Vorig jaar zag ik dit model na 35 jaar weer terug in de opslag van een lasbedrijf, nog geen 200 meter bij de Luchtvaart Hobbyshop vandaan. De eigenaar bleek een groot luchtvaart- en Fokkerliefhebber te zijn. Hij had het gekocht tijdens de faillissementsveiling van Fokker in 1996, waarna het jarenlang bij hem in de showroom heeft gestaan. Ik vertelde hem meteen het verhaal erachter. Daarbij gaf ik aan dat ik het model, mocht hij het ooit wegdoen, heel graag van hem wilde overnemen. Na meerdere keren vriendelijk te hebben aangedrongen, is het me een paar maanden geleden uiteindelijk gelukt. En nu staat het bij mij thuis te pronken in de collectie.’


Dit vliegtuigmodel gaat nooit meer weg
Marcel neemt een plastic modelletje van een Fokker F28 ter hand. ‘Dit is iets van heel andere orde’, lacht hij. ‘Het is een modelletje van een Fokker F28 Aviaction, dat ik toen ik een jaar of zeven was, zelf heb overgeschilderd in NLM-kleuren. De raampjes heb ik gemaakt met afwrijfletters, allemaal kleine nulletjes. Enkele jaren later had ik het vliegtuigje in een opwelling in de prullenbak gegooid. Zo’n dertien jaar later, toen ik bij IMC werkte, zei mijn vader ineens: “Ik heb nog een leuk aardigheidje voor je.” Even later stond hij daar met dat zelfgeschilderde F28-modelletje in zijn handen. Blijkbaar had hij het stiekem weer uit de prullenbak gevist en al die jaren bewaard. Dus je begrijpt: die gaat nooit meer weg.’

Een netwerk als springplank
‘Het faillissement van Fokker betekende dat het inmiddels tot CMD gefuseerde IMC/ITC een belangrijke klant verloor’, zegt Marcel. ‘Het bedrijf stortte zich op retail, maar de concurrentie was groot. Ik was een van de acht mensen die eruit moesten. Intussen beschikte ik over een groot netwerk, waarvan Cees en John Dekker deel uitmaakten. Deze vader en zoon waren klant van IMC en vertegenwoordigden IMC in de Verenigde Staten.’
‘John organiseerde eind jaren tachtig en begin jaren negentig de Aviation Collector Fairs in Los Angeles; daarnaast werkte hij mee aan de jaarlijkse Airliners International Collectors Fair. Op een van die beurzen kwam ik in contact met Adriaan Vogelaar, een in de jaren vijftig naar Brazilië geëmigreerde Nederlander met een modellenfabriek. Hij stond daar met een stand en alles wat hij op zijn tafel had staan klopte gewoon. Toen hij later in Nederland was, kreeg ik een fax van hem: “Ik ben bij kennissen in Velsen. Het model van de Boeing 727 van Trans Brasil dat op de beurs was uitverkocht, heb ik klaar en kun je daar komen halen.” Dat was niet tegen dovemansoren gezegd.
‘Een aantal Vogelaar-modellen zijn door mijn toedoen op de markt gekomen’, vertelt Marcel terwijl hij een Piper PA-31 Navajo van Tulip Air als voorbeeld van een plank haalt. ‘Ik zag een toestel van die airline in Rotterdam. Omdat de Navajo bij Vogelaar op de mallenlijst stond, wist ik dat hij het model kon maken. Zelf creëerde ik het artwork-tekenwerk voor de decals. Vervolgens ben ik onaangekondigd met een van de vijf modellen naar Rotterdam gegaan waar Tulip Air een kantoor had in een luxe bouwkeet. Ik stapte daar naar binnen, nou, ik had gelijk de aandacht. Ik zette het model op de balie, maar nog voordat ik mijn verhaal kon doen kwam de baas al aanzetten. “Wat is dat? Jeetje! Wat kost dat?”’
‘Ik moest meekomen. “Het kan niet zo zijn dat die modellen eerder op de beurs staan dan dat ik ze op mijn kantoor heb.” De dag daarop heb ik hem de andere vier gebracht. Ik moest er voor Tulip Air meer dan dertig laten maken, en daarnaast nog een stuk of tien voor de retail.’ Met een blije blik in zijn ogen voegt Marcel eraan toe dat hij dit model drie weken geleden terug heeft weten te krijgen. ‘Twee jaar geleden kwam ik bij een verzamelaar die zijn hele huis had volstaan en ik zag het ergens achteraf staan. Ik dacht: die moet ik loskrijgen. En dat is dus gelukt.’


Behalve dat Marcel zelf dergelijke initiatieven nam is hij op beurzen gaan staan met Vogelaar-modellen. ‘Op dat moment bestond de Luchtvaart Hobbyshop al, toen nog een klein winkeltje boven op de dijk. Daar ben ik op afgestapt met enkele modellen. Henk Timmers, de oprichter van die zaak, vond het prima dat ik er enkele neerzette in consignatie. Een dag later belde hij: “Heb je er nog?” Vanaf dat moment nam hij die modellen regelmatig af. Ze gingen over de toonbank voor honderdvijftig gulden, best prijzig voor die tijd.’

Henk van de Luchtvaart Hobbyshop – inmiddels de AviationMegastore – gaf op allerlei manieren vorm aan zijn passie voor de luchtvaart. Naast zijn werk bij Martinair als gezagvoerder op de bok van een MD-11, startte hij de uitgave van Sramble. ‘In dat blad zag ik dat ze bij de Luchtvaart Hobbyshop iemand nodig hadden. Toen heb ik hem gebeld. “Ik zie dat je een vacature hebt, had je dat niet kunnen zeggen”, zei ik. Zijn reactie: “Hoe kan ik nou weten dat jij een baan zoekt.” Ik kon langskomen.’ De twee mannen kwamen niet meteen tot overeenstemming. De baan kwam er uiteindelijk, maar niet meteen. Daarover volgende week meer.


