Een Transavia-vlucht vanaf Rotterdam The Hague Airport is geannuleerd nadat het risico ontstond dat de brandstof aan boord van het vliegtuig verontreinigd was. Tien passagiers eisten vervolgens gezamenlijk 4.000 euro compensatie. De rechtbank oordeelt dat Transavia de vlucht terecht heeft geannuleerd.
Risico op vervuilde brandstof
De zaak draait om vlucht HV6093, die op 11 april 2024 van Rotterdam naar Faro had moeten vliegen. Transavia annuleerde de vlucht vanwege een probleem in de brandstoflevering door Shell. Volgens de luchtvaartmaatschappij bestond daardoor het risico dat de brandstof die al in het vliegtuig was getankt, verontreinigd was. Zij werden vervolgens omgeboekt naar alternatieve vluchten en kwamen met vertraging op hun eindbestemming aan. Omdat de vlucht was geannuleerd, stapten de tien personen naar de rechter. Zij eisten een bedrag van 400 euro per persoon, in totaal 4.000 euro.
Rechter geeft Transavia gelijk
De kantonrechter gaat mee in het standpunt van Transavia. Volgens de rechtbank heeft de maatschappij met de overgelegde stukken en toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat door een fout van Shell het risico bestond dat de getankte brandstof was verontreinigd. De rechtbank benadrukt daarbij de mogelijke gevolgen van vervuilde vliegtuigbrandstof. De rechter stelt daarom dat van Transavia niet kon worden verwacht dat het vliegtuig zou vertrekken.
Buitengewone omstandigheid
Ook de tijd die nodig was om de brandstof te controleren speelde een belangrijke rol. Volgens de rechtbank heeft Transavia voldoende aannemelijk gemaakt dat het testen van de brandstof meer dan drie uur zou duren. De maatschappij kon daarom volgens de kantonrechter redelijkerwijs besluiten de vlucht te annuleren. De rechtbank beschouwt het risico op verontreinigde brandstof als een zogenoemde buitengewone omstandigheid. Daardoor hoeft Transavia de passagiers geen compensatie te betalen.
Compensatie
De rechtbank keek vervolgens ook naar de vraag of Transavia voldoende had gedaan om de vertraging te beperken. De reizigers werden omgeboekt op andere vluchten en kwamen uiteindelijk met minder dan 24 uur vertraging aan op hun eindbestemming. Volgens de rechter waren de aangeboden alternatieve vluchten onder die omstandigheden een redelijke maatregel. De vordering van in totaal 4.000 euro werd daarom afgewezen. Omdat de passagiers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij uiteindelijk ook de proceskosten van Transavia betalen.
Bron: Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:10160, zaaknummer: 11800987

