Straaljagerpiloot worden was zijn jongensdroom. Terugblikkend op zijn leven van de lucht realiseert hij zich dat hij twee dromen heeft waargemaakt. Frank Moorman vloog niet alleen jaren achtereen als militair vlieger maar ook als civiel vlieger.
‘Ik behoor tot de bekende appeltjes die niet ver van de boom zijn gevallen’, zegt hij. ‘Mijn vader vloog op de F-84 Thunderstreak. Als mijn broer en ik met hem mee mochten naar Vliegveld Eindhoven, vond ik het alleen al prachtig zo’n vliegtuig te ruiken. Ik werd heel erg gepakt door die geur van bakeliet, dat werd in de tijd van de oudere vliegtuigen gebruikt voor diverse onderdelen, en ook van de hydraulische vloeistof skydrol. Ik keek graag in de cockpit terwijl mijn vier jaar oudere broer altijd om een vliegtuig heen wilde lopen, luikjes wilde openmaken en metertjes wilde kijken. Hij werd later vliegtuigmonteur.’

De overhand
‘Mijn grote droom was straaljagerpiloot worden, net als mijn vader’, vervolgt Frank. Hij bleef die droom trouw, zij het wel met een kortstondig intermezzo. ‘Rond mijn elfde was ik in Zwitserland. Daar zijn van die reddingsploegen actief en daarvan was ik erg onder de indruk.’ Toch kreeg zijn eerste droom algauw weer de overhand. Als gevolg van zijn leeftijd, te jong, zat het er na zijn havo-tijd nog niet in met de opleiding te beginnen. Vandaar dat hij doorging met het vwo. Op zijn paasrapport scoorde hij enkel voldoende voor gym en maatschappijleer. Na een onderhoudend gesprek met zijn vader meldde hij zich bij de LUSO, het Luchtmacht Selectie Orgaan. ‘Toen heb ik duidelijk aangegeven dat het niet goed ging op het vwo’, zegt hij.
Arrogantie
De selectie vond plaats in Gilze-Rijen. Frank: ‘Ik had de arrogantie: dat doe ik wel even. Niet wetend dat er maar drie op de duizend doorheen kwamen en uiteindelijk vlieger werden. Voor de lunch en het avondeten werden de mensen altijd in alfabetische volgorde opgeroepen die naar huis konden.’ Met een brede lach brengt hij een medekandidaat in herinnering: ‘Een man met een enorme snor. Daarmee was je al een halve piloot, hè. Hij was ook wat ouder dan de rest en had zijn burgerbrevet op zak. Op een gegeven moment klonk zijn naam die met een S begon. Ik dacht: Dat is na de M. Moet hij nou naar huis? Ik raakte in paniek, mijn arrogantie vervloog. Hij was voor mij echt de piloot. Als hij het niet haalde kon mij dat dus ook gebeuren.’ Toch was de paniek maar van korte duur. Frank: ‘Omdat ik heel veel karaktertrekken heb van mijn vader die vlieger was, was ik er voor honderd procent van overtuigd dat ik ook vlieger kon worden.’ Nu realiseert hij zich dat er mensen werden gezocht die ‘nog kneedbaar’ waren. ‘Ik was gewoon nog een menneke, een pup, terwijl die snorremans het allemaal al wist.’

In de stress
Frank kwam de selectie door. De luchtmachtofficiersopleiding ervoer hij soms als mentaal zwaar. ‘Ik was achttien, de anderen twintig of ouder. Dat is op die leeftijd best een groot verschil. Bovendien had ik ook een rugzak als zoon van: dat moest ik waarmaken en dat vond ik best wel lastig. Daar kwam nog bij dat mijn vader alleen maar vrienden had in de luchtmacht, op één na. En dat liet die gast mij constant merken in een later deel van de opleiding, de Selectie Vliegopleiding. Dan zei hij dat ik te laat was terwijl ik gewoon op tijd was. Maar als hij zei dat ik te laat was, dan was ik dus te laat. Uiteindelijk zei ik dan maar ja, ik ben te laat. Mijn eindtest moest ik met hem vliegen. Het weer was bagger en vrijwel niemand vloog. Niet gehaald dus. Bij een andere examinator mocht ik mijn hertest vliegen. Algauw deed die man een kaart voor mijn instrumenten, zodat ik niets meer kon zien. Dat gaf me een boost want als dat werd gedaan wist je dat het goed ging. Maar toen kwam de debriefing. Echt, ik heb nog nooit zo in de stress gezeten. Hij zei: “Frenkie”, zo noemde hij mij, “zoek het zelf maar uit in Amerika.” Ik had zoveel spanning dat ik niet wist of ik moest lachen of huilen. Maar ik had het dus gehaald.’

Trots en dankbaarheid
Zijn vader vloog ook nog in de tijd waarin Frank werd opgeleid. ‘Hij zat nog net op de NF-5 en toen heb ik met hem meegevlogen in de back seat.’ In Franks stem klinken trots en dankbaarheid door als hij zegt: ‘Hij vloog bij mij mee in de back seat toen ik klaar was met mijn opleiding. Ook vlogen we een keer samen in formatie. Net voor zijn pensioen ging hij bij mij mee in de F-16. En mijn vader zat links, ik rechts, toen hij, inmiddels vliegend op de F-27, op Soesterberg zijn allerlaatste landing maakte. Mijn broer, de techneut, was er ook bij. Hij zat op de jumpseat als forward facing boordwerktuigkundige.’

Een liefdesrelatie
In zijn tijd bij de KLu vloog Frank eerst NF-5, later F-16. Zijn voorkeur gaat uit naar die laatste. ‘Ik wil absoluut niet negatief over de NF-5 zijn, hij vliegt heel fijn, hij vliegt makkelijk, hij is alleen ver underpowerd. Hij heeft wel twee motoren maar voor zeker de Nederlandse variant met veel te weinig vermogen. Omdat wij de Oost-Duitse grens moesten kunnen halen, waren onze NF-5’s uitgerust met heel grote brandstoftanks. Eigenlijk was deze variant niet gemaakt om mee te vliegen in oorlogsconfiguratie. Ik heb ook nog instructie gegeven op die kist, supertof, dan ben je echt de koning te rijk, hè. Maar dan de F-16.’ Frank gaat verzitten, gaat er helemaal voor zitten en demonstreert: ‘Stickje hier, gashendel daar, je zit zo achterover in een viskom, je hebt zicht naar alle kanten, je hebt een motor, nou… als je die naverbrander aanzet… dan krijg je een trap onder je kont en dan gaat ie zoooo hard vooruit!’ Lachend: ‘De NF-5 was mijn instapmodel, mijn eerste Deux-Chevaux-je zeg maar. Nou ja… Een ander vergelijk. Als je Max Verstappen heet en in een Porsche rondrijdt en dan in een Formule 1-auto mag stappen, zoiets ja.’ Zijn woordenvloed stopt een moment als hij zegt: ‘Met de F-16… Daar heb je gewoon een liefdesrelatie mee.’



Vrijwillig aangemeld
Bommen heeft Frank enkel afgegooid tijdens oefeningen op de Noordvaarder, Terschelling en de Vliehors, Vlieland. ‘Oefenbommetjes’, verduidelijkt hij. In zijn F-16-tijd diende de Golfoorlog zich aan. ‘Wij hadden de kans te worden uitgezonden. Ik heb me toen vrijwillig aangemeld bij mijn chef vliegdienst. Omdat er in ons squadron ook vliegers waren met kinderen en die wilden misschien niet. Er was best een gerede angst dat je, als je ging, fysiek aangepakt zou worden. Maar daar dacht ik niet al te lang over na. Ik vond en vind het nog steeds niet netjes om de Amerikanen en de Engelsen het probleem maar te laten oplossen. Wij zijn ook lid van de NAVO, wij horen er ook bij. Relus ter Beek, een PvdA-man, was op dat moment minister van Defensie. Die man heeft zelf nooit in dienst gezeten, had geen affiniteit met de krijgsmacht, en hield onze deelname, voor zover ik heb begrepen, heel erg tegen. Uiteindelijk is er van ons squadron niemand gegaan.’


Grote kans
Achteraf is Frank wel blij dat hij nooit echte bommen heeft hoeven af te gooien. ‘Het hoort wel bij je vak’, stelt hij. ‘Zolang we onze fiets nog op slot moeten zetten, hebben wij een slot voor ons land nodig en moeten we ingericht zijn op verdediging. Maar moet je het eenmaal doen… Ik ben ervan overtuigd dat het mentaal iets met je doet. Omdat de kans groot is dat je mensenlevens neemt.’ Hij geeft de IS-bommenfabriek in Hawija, waarbij zeker 70 burgers om het leven kwamen en ruim 400 gebouwen werden beschadigd of verwoest, als voorbeeld: ‘Niet voor niets hebben ze die fabriek in een woonwijk neergezet. Dan gaan ze ervan uit dat met een Human Shield eromheen het westen niet aanvalt.’ Frank kijkt bedenkelijk als hij de vraag voorlegt: ‘Wat zou er gebeurd zijn als IS had kunnen doorgaan met het fabriceren van die bommen daar?’ Hij schakelt terug naar de Golfoorlog: ‘Ik ben wel opgeleid om daarvoor te worden uitgezonden. Wij zouden dan parkeren op een basis in Oost-Turkije. De opleiding werd gegeven door oud-Vietnam-veteranen. Ik herinner me er één die telkens als je een fout maakte, met een slechte herinnering teruggreep naar die tijd. Van enige psychologische hulp was in die tijd totaal geen sprake. En al is die er nu wel, ik ben toch heel blij dat ik een dergelijke koffer niet met me meedraag.’

Dat kon niet
‘Ik ging niet fijn weg bij de luchtmacht’, verzucht Frank. ‘Ik bedoel dat ik het heel erg vond dat ik eruit ging. Ik had echt zo’n begrafenisgevoel in mijn lijf.’ Ongeveer een jaar voordat ik de KLu zou verlaten kreeg ik een nevenfunctie waarmee ik minder blij was. ‘Toen een collega van me waarmee ik samen de F-16-opleiding heb gedaan, ervoor paste instructeur op die kist te worden, kwam ik daarvoor in beeld. Daarbij wilde hij mijn nevenfunctie graag innemen. Ik dacht meteen: dat wil ik wel, instructeur worden op het mooiste vliegtuig ooit. Daarop mensen les te mogen geven… dat is toch een superjongensdroom? Heel even leek het erop dat ik langer kon blijven. Maar ja, toen kwam de deal. Met de carrière van mijn vader in gedachten, die bij de KLu eindigde op de F-27, wilde ik in het contract laten opnemen dat ik tot mijn 45ste straaljager mocht vliegen, daarna tien jaar transport. Dat kon niet, ondanks een vliegertekort. Toen heb ik de beslissing genomen naar de burgerluchtvaart te gaan. Achteraf ben ik heel blij dat ik die stap gezet heb en dat ik dat bij KLM heb kunnen doen. Want ook die tijd heeft me zoveel gebracht. Civiel vliegen was niet mijn jongensdroom van begin af aan, helemaal niet zelfs, maar achteraf… achteraf gezien heb ik toch mooi twee jongensdromen waargemaakt.’
Over die tweede jongensdroom volgende week meer.

Nu te bestellen: Transavia's Retro A321neo!🤩
Pre-order nu in de nieuwe webshop! Let op: limited edition, dus wees er snel bij!



Verschillend